De baansport ontstond eind 19e eeuw en werd al snel populair doordat er officiële wereldkampioenschappen op de baan werden georganiseerd. In Nederland kreeg baanwielrennen een extra impuls, omdat wegwedstrijden tussen 1905 en de Tweede Wereldoorlog grotendeels verboden waren. Wielerclubs en caféhouders legden overal in het land tijdelijk of permanent velodromes aan - van eenvoudige zandovalen tot houten en betonnen pistes - waardoor het publiek massaal naar de baan. De wielerbond classificeerde de banen naar materiaal (zand, leem, hout of beton) en naar lengte, variërend van 100 tot 250 meter.
Na 1945 keerde het wegwielrennen terug en raakte een deel van de velodromes in verval. Toch bleef de baansport voortleven via zesdaagsen en wereldkampioenschappen. Nederland telt vandaag vier overdekte banen - in Amsterdam, Alkmaar, Apeldoorn en - en tijdens de Zesdaagse in Rotterdam wordt jaarlijks een tijdelijke 200 meterbaan opgebouwd. Internationaal is baanwielrennen sinds 1896 een vast onderdeel van de Olympische Spelen en heeft het zich ontwikkeld tot een dynamische discipline waarin kracht en tactiek samenkomen.